Duplicaatcode op kentekenplaten

Onder andere bij verlies, diefstal en herimport.

De basis

De duplicaatcode, ook wel "ophoogcode" genoemd, is onderdeel van het in 2000 ingevoerde GAIK-systeem. Best bekend als het kleine 1-tje of 2-tje boven het eerste streepje in het kenteken. Het getal geeft het aantal duplicaten aan dat ooit is uitgegeven van hetzelfde kenteken. (10)

Op langwerpige kentekenplaten staan duplicaatcodes 1 t/m 9 boven het streepje en 10 t/m 19 eronder (waarbij 0 = 10; 1 = 11, enz.).

Op vierkante kentekenplaten wordt duplicaat 1 t/m 9 aan de linkerzijde van de bovenste regel geperst en 10 t/m 19 aan de rechterzijde (waarbij 0 = 10; 1 = 11, enz.).

Brom- en snorfietskentekenplaten vormen hier een uitzondering. Alle duplicaatcodes worden geperst op een en dezelfde plaats, waarbij 1 t/m 9 als enkel cijfer wordt weergegeven en 10 t/m 19 als dubbele cijfers (bijvoorbeeld 10 = 10, 11 = 11).

Enkele voorbeelden staan in de onderstaande tabel:

Standaard kentekenplaat Taxi kentekenplaat

99XX-XX

99XX-XX

Wordt er misbruik gemaakt van uw kentekenplaten? Raadpleeg de RDW over hoe te handelen.

Toepassing

Het doel van GAIK is dat er per voertuig maximaal 1 (motorfietsen, aanhangsels, brommers, ..) of 2 (auto's, vrachtwagens, ..) geldige kentekenplaten in omloop zijn. Daarbij gaat het enkel om platen van het gele en lichtblauwe model. De platen met de hoogste duplicaatcode zijn de enige juiste. Het is wettelijk vastgelegd dat elk nieuw kenteken met duplicaatcode 0 begint. Omdat dit de standaard is wordt dat niet op de plaat vermeld. (6a)

Als bij een kentekenplaatfabrikant nieuwe nummerborden aangeschaft worden, moet men in principe de bestaande gele of blauwe platen inleveren. (8) Bijvoorbeeld bij verfrissing van beschadigde exemplaren of bij wisselen tussen gewone, luxe en taxikentekenplaten. Maar in geval van verlies of diefstal is inleveren niet mogelijk.

Een duplicaatcode wordt alléén toegepast (of wanneer die al "1" of meer is, met +1 opgehoogd) indien:

Bij de aanschaf van nieuwe exemplaren wordt dat gecontroleerd door de kentekenplaatfabrikant. Het afgifteregistratieprogramma van de RDW (GAIK Online) beslist op basis daarvan automatisch of het kenteken een duplicaatcode moeten krijgen, en zo ja, welke.

Na verlies of diefstal van nummerborden wordt een duplicaat uitgereikt (uitzonderingen daargelaten). Dit gebeurt ook standaard bij herimport van een voertuig dat al eens een Nederlands kenteken had. Maar of de duplicaatcode ook ingeslagen moet worden op de plaat is afhankelijk van twee factoren:

Een voorbeeld waarin factor 1 een rol speelt is dat reguliere kentekens voor personenauto's, vrachtwagens en bestelbussen dupliceerbaar zijn, maar CD-kentekens niet. CD is een van de bijzondere series waarbij niet gewerkt wordt met duplicaten. Gaat een CD-plaat verloren of wordt deze gestolen, dan krijgt de kentekenhouder een geheel nieuw nummer uitgereikt.

Een voorbeeld waarin factor 2 een doorslaggevende rol speelt is bij nummerplaten van model 18.2 (Amerikaanse maat). Daarop mag nooit een duplicaatcode ingeslagen worden, ongeacht het type kenteken op de plaat. Er zijn echter platen in omloop waarbij dat tegen de regels in wel gedaan is.

Invoeringsdata

Wanneer een kenteken een duplicaatcode heeft van "1" of meer is het sinds 1 februari 2003 verplicht deze ook op de plaat aan te brengen, zolang het model kentekenplaat dat toestaat. In de periode tussen 1 februari 2000 (invoering GAIK) en de eerdergenoemde datum was dat louter een aanbeveling.

Ook witte kentekenplaten van lichte aanhangwagens/ fietsendragers moesten voorzien worden van de juiste duplicaatcode; namelijk de code van het kenteken van het trekkende voertuig. (3) Sinds 22 september 2008 is die verplichting vervallen in het kader van algemene lastenverlichting. Ervaring had namelijk geleerd dat in de praktijk voertuigeigenaren veelal geen nieuwe witte kentekenplaat lieten maken in het geval de gele platen een opgehoogde duplicaatcode kregen. De politiek was van mening dat dit geen grote problemen met zich meebracht inzake handhaving van verkeersovertredingen. (7)(9)

Tot 22 september 2008 moest de duplicaatcode van het kentekenbewijs overeenkomen met de code op de platen. Bij verlies of diefstal van het kentekenbewijs werd de duplicaatcode van het opnieuw uitgereikte document opgehoogd (bijvoorbeeld van 0 naar 1). De kentekenhouder moest dan daarna ook naar een kentekenfabrikant om nieuwe platen te laten maken met daarop dezelfde duplicaatcode als op het opnieuw uitgereikte kentekenbewijs. Andersom gold dit ook. Bij verlies of diefstal van platen moesten niet alleen nieuwe exemplaren aangeschaft worden (met opgehoogde duplicaatcode) maar ook een nieuw exemplaar van het kentekenbewijs (met overeenkomstig opgehoogde duplicaatcode). (3)(7)

Vanaf 22 september 2008 is de duplicaatcode voortaan gesplitst in twee afzonderlijke delen:

Voertuigeigenaren hoeven daardoor geen nieuwe kentekenplaten meer aan te schaffen als het kentekenbewijs kwijt of gestolen is. Voortaan hoeft dan alleen het kentekenbewijs vernieuwd te worden. Andersom geldt hetzelfde. Bij vermissing van een kentekenplaat hoeven geen nieuwe papieren aangevraagd te worden. (9)

Paarsgewijs wisselen

Indien een voertuig voorzien moet zijn van twee kentekenplaten, worden de nieuwe platen met verhoogde code ook altijd als set uitgereikt. Ze moeten paarsgewijs gewisseld worden, ook als bijvoorbeeld alleen de voorste plaat verloren is gegaan. De achterste nummerplaat moet dan eveneens vervangen worden, omdat het verplicht is dat beide nummerborden op een voertuig dezelfde duplicaatcode hebben.

Het is overigens niet verplicht (en ook nooit verplicht geweest) de eventueel overgebleven kentekenplaat in te leveren ter vernietiging. Deze verliest in het aanvraagproces van nieuwe platen automatisch zijn geldigheid op basis van de bij de RDW bekende lamineercode.

Geen duplicaatcode bij verfrissing/ omruiling

Een duplicaatcode wordt alléén opgehoogd en ingeslagen indien de voertuigeigenaar niet meer in het bezit is van alle wettelijk vereiste nummerplaten voor dat voertuig. Bij bijvoorbeeld verfrissing van beschadigde platen of het wisselen tussen gewone, luxe en taxiplaten is er geen sprake van vermissing of diefstal. De nieuwe plaat krijgt géén (opgehoogde) duplicaatcode geperst, zolang bij aanvraag de oude platen gelijktijdig overhandigd kunnen worden aan de kentekenplaatfabrikant. Een uitzondering hierop is als de lamineercode niet meer leesbaar is.

Indien de voor omruiling aangeboden nummerborden al wel voorzien waren van een duplicaatcode wordt deze ongewijzigd overgenomen op de nieuwe platen. Standaard kentekenplaten omruilen voor de luxevariant en omgekeerd leidt dus niet tot het verdwijnen van de code.

Standaard ophoging bij onleesbare lamineercode

Kentekenplaten die onder het GAIK-systeem vallen worden geadministreerd op basis van hun unieke 10-cijferige lamineercode. Als de lamineercode niet meer volledig leesbaar is krijgt de voertuigeigenaar bij verfrissing of omwisseling van de desbetreffende kentekenplaten nieuwe exemplaren uitgereikt een +1 opgehoogde duplicaatcode. Een (deels) onleesbare lamineercode wordt in het afgifteregistratiesysteem namelijk behandeld als een vermissing.

Wanneer bij bijvoorbeeld een personenauto slechts één van de twee platen een beschadigde lamineercode heeft, worden er bij verfrissing of omwisseling twee nieuwe nummerplaten afgegeven, die beide een verhoogde duplicaatcode hebben.

Standaard ophoging bij herimport

Een van de minst bekende redenen die leidt tot ophoging van de duplicaatcode is herinvoer. Als een Nederlands-gekentekend voertuig geëxporteerd wordt, wordt de registratie bij de RDW beëindigd. De kentekenplaten worden vernietigd als onderdeel van dat proces, maar alleen indien het voertuig zich op het moment van exportaanmelding nog in Nederland bevindt. Als het voertuig al in het buitenland is moet de kentekenhouder de platen aldaar zelf vernietigen. Controle op of dat ook daadwerkelijk gebeurd ontbreekt echter. Het onderdeel "gecontroleerde inname" van het GAIK-systeem loopt hier dus mank. (5)

Op het moment dat een voertuig na verloop van tijd weer in Nederland geïmporteerd wordt krijgt het zijn oorspronkelijke kenteken terug, maar altijd met opgehoogde duplicaatcode. De RDW hanteert dit als standaardprocedure ongeacht of bij toenmalige export de platen vernietigd waren. Afgifte van kentekenplaten bij herimport wordt namelijk geclassificeerd als een nieuwe afgifte en daarbij wordt de duplicaatcode verhoogd. (6b)

Deze procedure dekt het risico af op eventuele onvernietigde nummerborden bij de toenmalige uitvoer. Het garandeert dat er niet méér dan het maximaal toegestane aantal kentekenplaten voor dat voertuig in omloop zijn.

"Vrijwillige" ophoging als gevolg van kentekenfraude

Criminelen voorzien gestolen voertuigen doorgaans van een andere identiteit om deze uit het zicht van opsporingsinstanties te houden. Daarbij wordt het kenteken van een soortgelijk voertuig gekloond (platen nagemaakt) en vervolgens misbruikt. Meestal komt dit pas aan het licht als de rechtmatige eigenaar opeens boetes ontvangt voor overtredingen die niet zelf begaan zijn.

De rechtmatige eigenaar wiens kenteken gekloond is kan aangifte doen bij de politie. Ter directe bescherming kunnen nieuwe kentekenplaten gemaakt laten worden, die op verzoek voorzien worden van een opgehoogde duplicaatcode. Zo kan de eigenaar vervolgens gemakkelijker onschuld aantonen mocht het misbruik voortduren. Op de nagemaakte platen ontbreekt immers de juiste duplicaatcode. Deze procedure kan altijd vrijwillig gevolgd worden, ook als alle wettelijk vereiste platen nog in bezit zijn.

Daarnaast kan men bij de RDW melding maken van kentekenfraude. Als alle bewijsstukken na controle goedgekeurd worden kan de eigenaar een nieuw kentekenbewijs aanvragen met daarop een geheel nieuw kenteken. (12)

Lettertype

Lettertype en afmetingen van de duplicaatcode zijn gestandaardiseerd. Toch zijn er van het cijfer "1" twee varianten in omloop. Sporadisch kan een smalle 1 aangetroffen worden in plaats van de vette variant. Dit is onder andere het geval op platen afgegeven door de fabrikant met nummer NL22129. (Welke fabrikant is dat? Neem contact op.)

Van het cijfer "2" is eveneens een vette en smalle variant in omloop. De kentekenplaatfabrikant is hier onbekend.

Deze verschillen zijn schijnbaar mogelijk omdat de «Regeling eisen goedkeuring kentekenplaten 2000» geen stok- of lijndikte specificeert voor duplicaatcodetekens. Vastgelegd is enkel de hoogte van de karakters; bijvoorbeeld 23 millimeter voor lange en vierkante standaardplaten (artikel 12, onderdeel 8).

Hoogste duplicaatcode

Op 14 februari 2019 werd de hoogst mogelijke duplicaatcode, 19, voor het eerst bereikt. Dat wordt weergegeven als een 9 onder het eerste streepje.

Er is ook een foto beschikbaar van de volledige reeks. Enkel de 17 (= 7 onder het streepje) ontbreekt op de foto.

Wat na 19?

In de wet zijn duplicaatcodes tot en met 19 voorzien. In het zeer uitzonderlijke geval dat ook duplicaat 19 vermist raakt zal de RDW per geval beoordelen hoe dit opgelost kan worden. Wat in ieder geval niet kan is weer van vooraf aan beginnen en hetzelfde kenteken opnieuw met duplicaatcode 0 afgeven. Duplicaten 0 tot en met 19 van dat kenteken staan (uiteraard) als vermist of gestolen geregistreerd. (6c)

Wegpoetsen verboden

Tot 1 april 2014 stond niet expliciet in de wet vermeld welke kleur de duplicaatcode op de kentekenplaat moest hebben. Door een wetswijziging werd met ingang van die datum van kracht dat deze aangebracht moest zijn in zwarte onuitwisbare tekens. (2)

Het verwijderen/ wegpoetsen van de zwarte laag is niet meer toegestaan. Op nummerborden waarop de duplicaatcode al weggepoetst was moeten de kleine cijfertjes weer zwart gemaakt worden. Anders is er sprake van ongeldige kentekenplaten.

Verlagen of ongedaan maken

Het is niet mogelijk om een duplicaatcode te verlagen of ongedaan te maken. Ook niet als een vermiste plaat bijvoorbeeld alsnog wordt teruggevonden nadat er al nieuwe platen afgegeven zijn. Wel kan er in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik gemaakt worden van het feit dat er op bepaalde modellen kentekenplaten nooit een duplicaatcode ingeslagen wordt. Na verkrijgen van toestemming van de RDW kunnen:

De actuele duplicaatcode blijft in het kentekenregister wel gewoon geregistreerd.

Duplicaatcode controleren

Het is niet mogelijk om zelf na te gaan wat de juiste duplicaatcode is voor de platen van een bepaald voertuig. De RDW heeft dit aangemerkt als gevoelig gegeven en verstrekt die informatie derhalve niet. (11)

Het is overigens een misverstand dat dit vroeger, vóór de ontkoppeling van duplicaatcode op kentekenbewijs en kentekenplaten plaatsvond, wel altijd zelf gecontroleerd kon worden. In de overgangsperiode van 1 februari 2000 (invoering GAIK) tot 1 februari 2003 hoefde de code op het kentekenbewijs en die op de platen namelijk niet overeen te komen.* Als vervolgens in de jaren daarna geen verdere mutaties plaatsvonden (verlies, diefstal, etc.) konden beide codes verschillend blijven.

Honderd procent zekerheid over de juiste plaatduplicaatcode op basis van voertuigdocumenten was dus alleen mogelijk tussen 2003 en 2008; op voorwaarde dat het kenteken een datum eerste afgifte Nederland had van na 1 februari 2003.

*) Nummerborden uit de overgangsperiode hebben een jaar/weeknummer ingeslagen welke ligt tussen 0005 (2000 week 5) en 0305 (2003 week 5).

Geen duplicaatcode in bijzondere gevallen

Alhoewel de onderstaande kentekensoorten (met uitzondering van witte en oldtimerplaten) onder het GAIK-systeem vallen wordt er toch geen duplicaatcode toegepast om verschillende redenen. (6a)

Amerikaans formaat kleine kentekenplaten (model 18.2)

Kentekens op kentekenplaten van model 18.2 krijgen geen duplicaatnummer ingeslagen omdat het streepje tussen de letter-/cijfergroepen veel kleiner is dan op alle andere platen van normaal formaat. De wetgever heeft bepaald dat er daarom onvoldoende ruimte is om de code leesbaar aan te brengen.*

Bij diefstal of verlies wordt hetzelfde kenteken opnieuw uitgereikt op een nieuw setje platen. Het enige onderscheid is dan de veranderde lamineercode in de linker onderhoek. Ondanks het niet mogen inslaan van een duplicaatcode wordt er geen nieuw kenteken afgegeven. Het risico op misbruik wordt door de RDW ingeschat als zeer klein en daarom beoordeeld als acceptabel. Nummerplaten van model 18.2 zijn aantalsgewijs namelijk veel minder in omloop dan standaardplaten.** Ook moet op het kentekenbewijs expliciet vermeld staan dat een voertuig Amerikaans formaat platen mag voeren. Ze zijn dus niet zomaar te gebruiken/ misbruiken.

Indien de kentekenhouder het risico niet wil dragen kan contact opgenomen worden met de RDW. (6a) Vragen of de kentekenfabrikant toch een duplicaatcode wil persen is wettelijk gezien geen optie. Dan komen de platen niet overeen met gepubliceerde modellen en dat is reden voor handhaving.

Als voor een voertuig nummerplaten van model 18.2 toegestaan zijn én daadwerkelijk gevoerd worden, dan moeten beide platen van dit model zijn. Combinaties van 18.2 met andere modellen kentekenplaten zijn verboden. Sinds 2007 kan dat ook niet meer anders wegens afgiftecontrole bij de RDW. Voor die tijd kwamen er wel eens afwijkende combinaties voor van bijvoorbeeld 18.2 met een 27.1 (standaard langwerpig geel). Dat is problematisch in verband met de duplicaatcode omdat die op model 18.2 niet ingeslagen mag worden, maar dat wel verplicht is op andere modellen GAIK-platen. Dan zou er een situatie kunnen ontstaan waarbij een voertuig uitgerust wordt met voor de wet twee verschillende kentekens: een standaard plaat mét duplicaatcode en een kleine Amerikaanse plaat zonder. Omdat het verplicht is dat beide kentekenplaten op een voertuig dezelfde duplicaatcode hebben kan er dan niet meer mee gereden worden.

Saillant detail: 18.2-nummerborden afgegeven vóór 21 augustus 2002 waren nog niet voorzien van een lamineercode. Verfrissen of omwisselen van dergelijke platen levert na die datum standaard een +1 verhoogde duplicaatcode op in het kentekenregister, omdat het ontbreken van een lamineercode afgehandeld wordt als zijnde een kentekenplaatvermissing. Voor de nieuwe platen heeft het echter geen zichtbare gevolgen omdat er op Amerikaans formaat platen nooit een duplicaatcode ingeslagen mag worden.

*) In de praktijk blijkt het aanbrengen van een "1" ruimtelijk gezien net te kunnen, maar andere cijfers zijn te breed om boven het streepje te passen.

**) Op 15 november 2020 hadden 57.495 voertuigen (krap 0,4% van het totaal) toestemming om model 18.2 te voeren.

Bijzondere kentekens (AA, CD, CDJ, BN, GN, GV en Defensie)

Deze series worden afgegeven door de RDW maar zijn niet dupliceerbaar. Bij verlies of diefstal krijgt de houder direct een geheel nieuw nummer toegewezen en vervalt het oude. De reden hiervoor is dat het gaat om kentekens die slechts tijdelijk voertuiggebonden zijn en waarvan het kentekenbewijs niet overdraagbaar is. In tegenstelling tot reguliere kentekens kunnen ze na vervallen opnieuw toegekend worden aan andere voertuigen.

Kentekens uit deze series worden slechts tijdelijk aan een voertuig gekoppeld omdat ze vaak oorspronkelijk al een ander kenteken hebben. Dat kan zowel een Nederlands kenteken zijn (bijvoorbeeld bij AA en DM), als buitenlands (bijvoorbeeld bij CD, CDJ, BN en GN). In het geval van grensverkeer gaat het om voertuigen die binnen Nederland niet kentekenplichtig zijn en dus ook zonder kenteken de weg op mogen. Een GV-nummer wordt tijdelijk toegekend ten behoeve van buitenlands gebruik.

Van oudsher hebben bijzondere kentekenseries ook een ander type kentekenbewijs dat slechts uit 1 deel bestaat (alleen deel 1 (A+B), zonder 2 of 3). Een veld "duplicaatcode" is daarin niet opgenomen. Het gevolg is dat bij verlies of diefstal van het kentekenbewijs en/of kentekenplaten geen duplicaat afgegeven kan worden, wat resulteert in het toegewezen krijgen van een nieuw kentekenbewijs met een ander nummer.

Registratienummers van de NAVO vormen een uitzondering. Op zowel kentekenplaten van dienstvoertuigen (RC-serie) als privévoertuigen van medewerkers, wordt na verlies of diefstal wel een duplicaatcode ingeslagen.

Handelaarskenteken

Deze speciale serie is niet dupliceerbaar omdat het geen voertuiggebonden kenteken betreft. Controleren of een kenteken en chassisnummer (VIN) aan elkaar gekoppeld zijn, zoals bij voertuiggebonden kentekens, is daarom niet mogelijk. Groene platen mogen op ieder voertuig gevoerd worden, zonder dat daar diepgaande controle op kan plaatsvinden. Dat maakt de kans op misbruik van verloren of gestolen exemplaren veel groter. Daarbij komt ook nog dat handelaarskentekens een groot aantal vrijstellingen geven. Zo is er "onder groen" bijvoorbeeld geen geldige APK en verzekering nodig, mag er geschorst gereden worden en hoeft er geen wegenbelasting betaald te zijn. Dat zijn zeer misbruikgevoelige zaken. De RDW kiest er daarom voor om bij verlies of diefstal direct een nieuw kenteken af te geven en het oude nummer vervallen te verklaren.

In het geval van handelaarskentekens biedt een duplicaatcode vanuit toezichtperspectief niet voldoende zekerheid tegen wangebruik, omdat er dus geen vaste koppeling met een voertuig bestaat. Bij voertuiggebonden platen is controle makkelijker wegens "kenteken/VIN-koppeling" en er daarnaast maximaal 2 geldige platen per voertuig in omloop kunnen zijn. Een handelaar mag daarentegen 5 groene platen hebben met hetzelfde nummer, die onderling ook nog eens van verschillende modellen mogen zijn; waaronder model 18.2 (Amerikaans). Toestaan van een duplicaatcode zou betekenen dat op de kleine 18.2-platen geen code zou komen te staan (want verboden in te slaan) en op alle andere wel. Dat zou vanuit afgifte-, toezicht- en handhavingsperspectief een zeer problematische aangelegenheid worden.

Door een handelsnummer bij verlies of diefstal direct te laten vervallen zijn het kenteken plus alle platen 100% niet meer geldig. Dat is sneller te controleren dan de geldigheid van een duplicaatcode.

Mochten criminelen bijvoorbeeld proberen gestolen auto's te verplaatsen onder dekking van gestolen handelaarsplaten, dan gaan er bij (ANPR) controle meteen alarmbellen af. Het handelskenteken is immers vervallen verklaard en als daar toch mee gereden wordt is dat onmiddellijk aanleiding voor nader onderzoek naar voertuig en inzittenden.

Donkerblauwe oldtimerplaten

Het opnemen van een duplicaatcode is voorbehouden aan kentekenplaten die vallen onder het GAIK-systeem. Oldtimerplaten vallen hier niet onder en worden daarom nooit voorzien van zo'n code. Ze mogen nog steeds onbeperkt worden afgegeven tegen overlegging van het bijbehorende kentekenbewijs. Er wordt niet bijgehouden hoeveel platen/ duplicaten er van een oldtimerkenteken in omloop zijn. Alle kentekenplaten zijn simpelweg geldig zolang het bijbehorende kentekenbewijs ook geldig is. Er bestaat geen manier om oldtimernummerborden via een administratieve prodecure te "ontwaarden", zoals dat wel kan bij geregistreerde kentekenplaten op basis van de 10-cijferige lamineercode.

Bij vermissing of diefstal wordt simpelweg een nieuwe plaat (of platen) uitgereikt met hetzelfde kenteken. Indien een oldtimereigenaar zich na diefstal van beide nummerborden zorgen maakt over misbruik kan contact opgenomen worden met de RDW. (6a)

Wanneer het oldtimerkenteken vrijwillig gevoerd wordt op standaard gele kentekenplaten wordt er bij diefstal of vermissing op de nieuwe gele platen wel een (verhoogde) duplicaatcode ingeslagen. Bij terugwisselen naar donkerblauwe exemplaren mag de duplicaatcode niet overgenomen worden. Deze blijft echter wel geregistreerd staan in het kentekenregister.

Witte kentekenplaten

Witte platen hebben geen lamineercode en vallen daarom niet onder het GAIK-systeem. Alle witte soorten mogen in onbeperkte hoeveelheid afgegeven worden tegen overlegging van een geldig kentekenbewijs. De RDW houdt niet bij hoeveel witte platen er van een bepaald kenteken in omloop zijn. Ook hoeft bij verfrissing of omwisseling de oude plaat niet ingeleverd te worden.

Lichte aanhangwagens/ fietsendragers
Witte platen voor deze toepassing zijn een soort reproductie van het kenteken van het trekkende voertuig. Wanneer een wit exemplaar vermist raakt heeft dat dus geen gevolgen wat duplicaatcodes betreft. De kentekenplaatfabrikant reikt exact dezelfde witte plaat opnieuw uit.

Witte kentekenplaten met ingeslagen duplicaatcode afgegeven vóór 22 september 2008 zijn nog steeds geldig. Ze mogen gebruikt worden, maar enkel zolang de code overeenkomt met die op de kentekenplaten van het trekkende voertuig. Op het moment dat het voertuig een hogere duplicaatcode krijgt verliest de witte plaat (met lagere code) zijn geldigheid. Er moet dan een nieuw exemplaar aangeschaft worden, op welke conform de huidige regelgeving, geen duplicaatcode meer is ingeslagen. Die witte plaat is vervolgens onbeperkt geldig.

Nieuwe witte platen met duplicaatcode worden niet meer afgegeven; ook niet voor kentekens van vóór 2008. Omdat de in de wet gepubliceerde modellen dienstovereenkomstig aangepast zijn, is het daarmee ook verboden geworden om hierop een duplicaatcode in te slaan. (6d)

Tijdelijk, eendags, export & transito
De reden dat er op deze kentekensoorten nooit een duplicaatcode ingeslagen mag worden, is omdat witte platen sowieso buiten het systeem van afgifteregistratie vallen. Daardoor kan een kentekenplaatfabrikant niet nagaan wat de juiste duplicaatcode zou moeten zijn. Bij verlies of diefstal worden daarom gewoon nieuwe witte platen afgegeven met daarop hetzelfde kenteken. Gezien het beperkte gebruik en de korte geldigheidsduur wordt dat geen probleem geacht.

Bij export van een voertuig met duplicaatcode wordt deze niet overgenomen op de witte exportkentekenplaten. Dat is wettelijk vastgelegd.

In de wet gepubliceerde modellen

In de «Regeling kentekens en kentekenplaten» zijn diverse afbeeldingen opgenomen van onder andere CD-, CDJ-, BN- en GN-kentekenplaatmodellen waarop wel een duplicaatcode staat. Dit is gedaan met het oog op flexibiliteit. Mocht het plaatsen van een duplicaatcode op dit type kentekenplaten in de toekomst nodig zijn, dan kan dat zonder aanpassing van regelgeving.

Het model 27.11 (langwerpige handelaarskentekenplaat) is overigens onterecht voorzien van een duplicaatcode. Dat betreft een fout die door de wetgever nog aangepast moet worden. Handelaarskentekenplaten zullen nooit voorzien worden van een duplicaatcode. (6e)

Fouten met duplicaatcodes

Er zijn voorbeelden bekend van onder andere handelaarskentekens, CD-platen, 18.2 modellen en tijdelijke platen waarop tegen de regels in een ophoogcode is ingeslagen.

Op vierkante kentekenplaten van model 27.2 (geel) en 27.31 (lichtblauw: taxi) wordt de duplicaatcode vaak verkeerd geperst door plaatfabrikanten. Zo ook in dit voorbeeld, waarbij de lange kentekenplaat correct duplicaatcode 1 draagt maar de vierkante plaat van duplicaat 11 voorzien is. De 1 staat namelijk rechts van de lettergroep (= duplicaat 11) en had links ervan moeten staan (= duplicaat 1).

Ook deze vierkante plaat is niet correct geperst. De duplicaatcode staat aan de verkeerde kant (duidt nu duplicaat 12 aan in plaats van 2) en er staat een streepje onder. De maker heeft zich vergist en hier de persmatrijs voor een duplicaatcode op standaard langwerpige kentekenplaten gebruikt.

Op deze brommerplaat is de duplicaatcode ook geperst met een verkeerde matrijs: namelijk die voor de maandaanduiding op witte tijdelijke kentekenplaten.

Zienswijze vanuit wetgever, consument, fabrikant en handel

De wetgever beoogde met invoering van het duplicaatcodesysteem bescherming van de kentekenhouder. Indien er misbruik gemaakt wordt van verloren of gestolen platen kan de werkelijke houder eenvoudig zijn of haar onschuld aantonen. Maar een duplicaatplaat levert, ondanks het veiligheidsprincipe, bij consumenten soms een negatief gevoel op: "er is wat aan de hand met dat voertuig".

Aanwezigheid van een duplicaatcode, hoe legitiem die ook tot stand gekomen is, heeft volgens sommige handelaren effect op de inkoop-/inruilwaarde van een voertuig. Het zou namelijk de verkoopbaarheid kunnen aantasten. Navraag door Kentekenkennis onder enkele tientallen autobedrijven in uiteenlopende prijs- en voertuigsegmenten wees uit dat dit met name geldt voor jong gebruikte personenwagens en voertuigen met een occasionwaarde vanaf ongeveer €35.000. Vanaf dat prijssegment is het idee "dat alles moet kloppen" het sterkst.

Bedrijven gaven aan gemiddeld €750 lagere inruilwaarde te bieden indien auto's met een "1"-tje worden aangeboden. Dat komt overeen met bevindingen van de ANWB. (1) Uitschieters liepen op tot ruim het dubbele aan waardevermindering binnen het dure segment. Voor automerken en modellen die als prestigieus te boek staan geldt een duplicaatcode over het algemeen als een strop. Het komt voor dat voertuigen daardoor in Nederland onverkoopbaar worden en alleen nog voor export geschikt zijn.

Een code 2 of hoger werd over het hele verkoopspectrum meermaals als financieel problematisch omschreven; met name voor jong gebruikte voertuigen. Reden is de verwachte moeilijkere wederverkoopbaarheid naar zowel tussenhandel als consumenten. De handel bevestigd dat het merendeel van de consumenten bij een vergelijkbaar aanbod van twee voertuigen kiest voor die zonder duplicaatcode.

Hoe ouder de auto en hoe meer vorige eigenaren, hoe minder dit een rol speelt. Merkonafhankelijke occasionbedrijven gingen er het soepelst mee om. Veruit de meesten gaven aan dat voor hun en hun clientèle de duplicaatcode geen rol speelt, tenzij deze meer dan 2 bedraagt. In dat geval komt ook daar soms een lagere inruilwaarde in zicht.

Vermissing van kentekenplaten kan onder bepaalde omstandigheden dus grotere financiële gevolgen hebben dan alleen de aanschafwaarde van een nieuw setje.

Duplicaatcodes als gevolg van herimport en ongevallen

Kentekenplaatfabrikanten gaven aan vaak onbegrip te ervaren vanuit consumenten indien er door bijvoorbeeld een onleesbare lamineercode gedwongen duplicaatplaten afgegeven moeten worden; ondanks dat de oude platen tegelijkertijd ingeleverd worden. Hetzelfde geldt bij herimport als in het verleden tijdens het exportproces de originele platen correct vernietigd zijn en de nieuwe platen desondanks een "1"-tje moeten krijgen. De regelgeving rondom deze gedwongen duplicaatcodes is voor consumenten moeilijk te begrijpen en wordt meer dan eens als onrechtvaardig ervaren. Voornamelijk vanwege de eerdergenoemde implicaties voor de wederverkoopbaarheid.

Schadeherstellers komen deze problematiek soms ook tegen. Na een tik op de neus zag de plaat van een exclusieve Audi S8 er zo uit en was dit over van de lamineercode. Het gevolg: twee nieuwe platen mét duplicaatcode.

Het is onduidelijk of schadeveroorzakers aansprakelijk gesteld kunnen worden voor waardeverlies als gevolg van een duplicaatcode na een ongeval. Er is nog geen jurisprudentie op dit gebied.

Exacte aantallen van dit soort situaties zijn niet voorhanden omdat er geen details geregistreerd worden van de omstandigheden leidende tot een duplicaatcode.

Periode 1951 tot 2000

In de periode dat er nog geen duplicaatcode op kentekenplaten bestond werden er andere regels gehanteerd.

1951 tot 1978

Dit was de tijd van donkerblauwe kentekenplaten. Bij vermissing van een enkele plaat kon een nieuwe plaat gemaakt laten worden met hetzelfde nummer. Wat er bij diefstal van beide platen gebeurde is niet bekend. Wellicht dat er na aangifte een nieuw nummer aangevraagd kon worden.

Bij vermissing van het kentekenbewijs kreeg men een vervangend kenteken toegewezen. Dat was simpelweg een nummer uit de lopende reeks, wat het op een gegeven moment populair maakte om vlak voor verkoop van een voertuig verlies van het kentekenbewijs te veinzen. Er werd dan een nieuw, recenter kenteken afgegeven waardoor de auto op het eerste gezicht jonger leek.

Toen deze praktijk zorgelijke omvang aannam besloot de RDW voortaan speciale lettercombinaties te reserveren voor vervangende kentekens. Bijvoorbeeld een handje vol in sidecode 1, een paar in sidecode 2 (o.a. ZT t/m ZX) en een hele reeks in sidecode 3 (o.a. XX t/m ZX). Hierdoor verdween de prikkel om voertuigen onopvallend "kentekencosmetisch" te verjongen.

1978 tot 2000

In deze periode van gele kentekenplaten zonder EU-band, moest men bij verlies of diefstal van een kenteken uit sidecode 4 of hoger gewoon nieuwe platen aanschaffen. Die waren exact hetzelfde als de vermiste exemplaren. Er werd in dat geval geen vervangend kenteken toegekend.

Tot 1987 werd bij vermissing van het kentekenbewijs een vervangend exemplaar afgegeven met daarop een nieuw nummer. In datzelfde jaar werd de duplicaatcode op het kentekenbewijs ingevoerd en werd geen nieuw kentekennummer meer afgegeven bij aanvraag van een vervangend kentekenbewijs.

Ontoereikende toezichtmechanismen op de afgifte van kentekenplaten leidde in deze periode tot een alarmerende hoeveelheid misbruik. Men kon bijvoorbeeld gemakkelijk nummerplaten aanschaffen met een kenteken dat niet in eigen bezit was. Dit legde de basis voor het ontwerp en invoering van GAIK in 2000.

Het is niet honderd procent zeker maar er zijn aanwijzingen dat de RDW tot eind 1982 bij verlies van een historisch kentekenbewijs met kenteken uit sidecode 1 t/m 3, een vervangend kenteken uit sidecode 3 verstrekte. Na het uitgeput raken van die nummers kreeg men schijnbaar een gewoon ("geel") kenteken uit de destijds regulier lopende serie.

Eind 1987 maakte de RDW het mogelijk om onder voorwaarden vervangende kentekens om te ruilen voor het originele kenteken. (4)

Bronnen, referenties en voetnoten

To top